Het Mensenoffer in Egypte en Nubië © Jacobus van Dijk 2007

Ook: Nubië - latere periode

Moderator: yuti

Het Mensenoffer in Egypte en Nubië © Jacobus van Dijk 2007

Berichtdoor Philip Arrhidaeus » Ma Feb 09, 2009 1:28 am

Het Mensenoffer in Egypte en Nubië
Dr. Jacobus van Dijk, 2007

Inleiding

Het mensenoffer is binnen de Egyptologie nog altijd een omstreden onderwerp. Lang is gedacht dat de Egyptenaren te beschaafd waren voor zo’n barbaarse gewoonte. Niet voor niets schrijft bijv. de Canadese anthropoloog en archeoloog Bruce Trigger (in Early Civilizations: Ancient Egypt in Context, 1993): “The cruel forms of human sacrifice practised by the Aztecs have caused many Egyptologists to wonder if such people can really be considered to have been civilized”. Bij dit onderwerp wordt steevast een beroemde episode uit een literaire tekst uit het begin van het Nieuwe Rijk aangehaald. Deze tekst, bekend als de Papyrus Westcar, bevat een aantal sprookjesachtige verhalen die gesitueerd worden in een ver verleden, nl. in de tijd van het Oude Rijk. Een van de vertellingen gaat over de tovenaar Djedi van wie het gerucht gaat dat hij in staat is een afgehouwen hoofd weer vast te zetten en het slachtoffer weer tot leven te wekken. Farao Cheops, de bouwer van de grote pyramide bij Giza, wil hiervan wel eens een demonstratie zien en beveelt daarvoor een gevangene uit de gevangenis te halen, maar Djedi wijst dit verontwaardigd van de hand, want, zo zegt hij, “het is verboden zoiets met ‘het nobele vee’ (d.w.z. een mens) te doen”. In plaats daarvan worden met succes een eend, een gans en een stier gebruikt. Koning Cheops wordt in dit verhaal duidelijk als een barbaarse despoot te kijk gezet.

In het moderne populaire beeld van het Oude Egypte is dat laatste niet veel anders. Naast wraakzuchtige uit de dood herrijzende mummies die als moorddadige monsters door menige film en pulproman rondwaren zijn ook de slaven die de pyramiden moesten bouwen en die om het geheim van de constructie veilig te stellen vervolgens als de farao sterft levend met hem worden begraven een bekend thema in griezelromans en -films. Dit is natuurlijk een verzinsel, maar toch heeft de gewoonte dienaren te doden en deze bij of in het koningsgraf mee te begraven wel degelijk bestaan in Egypte, zij het alleen in de allereerste tijd van de faraonische beschaving.

Bij het verschijnsel mensenoffer kan men twee hoofdtypen van elkaar onderscheiden te pakken, nl. het zgn. retainer sacrifice, waarbij bedienden of andere ondergeschikten gedood worden om met hun meester meebegraven te worden en hem in het hiernamaals te dienen, en het eigenlijke, cultische mensenoffer, waarbij mensen — vaak (maar niet altijd) veroordeelde criminelen of krijgsgevangen vijanden — als onderdeel vaneen (al dan niet reguliere) tempelcultus worden geofferd om de goden tevreden te stellen, de kosmos in stand te houden etc.

Het cultische mensenoffer

Van deze twee vormen van mensenoffers is het bestaan van de cultische, rituele vorm het meest omstreden. In de Egyptische tempels uit de Grieks-Romeinse periode kennen we tal van uitgebreid beschreven en afgebeelde rituelen waarbij de vijand van de god, van de koning, van Egypte en dus van de scheppingsorde, vernietigd wordt. Deze vijand kan de vorm aannemen van een dier, zoals een krokodil, een Nijlpaard, een ezel of een varken, maar soms heeft hij ook de gedaante van een mens. Dat heeft sommige Egyptologen ertoe gebracht te veronderstellen dat in deze late tempels daadwerkelijk mensen aan de goden werden geofferd. Daarbij werden zij gesterkt door een aantal klassieke auteurs die vermelden dat in Egypte mensenoffers werden gebracht. Zo lezen we o.a. dat de Egyptische koning Busiris buitenlanders (waarmee wel krijgsgevangenen bedoeld zullen zijn) aan de goden offerde. Auteurs als Plutarchus en Manetho melden dat met name “Typhonische” of “Sethiaanse” mensen, die o.a. gekenmerkt waren door blond of rood haar, hiervoor werden gebruikt. (Typhon is de Griekse naam van Seth, de god die Osiris had vermoord en die in de Late Tijd steeds meer tot een soort duivel van de Egyptische religie wordt). Dergelijke verhalen deden kennelijk al in de tijd van Herodotus de ronde, want die verwijst er in Boek II van zijn Historiën naar. Maar Herodotus, die zeer waarschijnlijk zelf Egypte bereisde en dus niet alleen maar andere schrijvers napraatte, beschouwt deze geruchten als ‘broodje aap-verhalen’ waaraan geen geloof moet worden gehecht. Mensen die dit soort verhalen vertellen, zegt Herodotus, bewijzen daar volgens mij alleen maar mee dat ze geen flauw idee hebben van de aard en de gebruiken van de Egyptenaren; want hoe zouden de Egyptenaren, die al heel kieskeurig waren in de selectie van dieren die geofferd mochten worden (alleen varkens, stieren of stierkalveren, en ganzen) in staat zijn mensen te offeren? Dat is volgens Herodotus onvoorstelbaar. Toch vermelden ook latere Griekse en Romeinse auteurs dat de Egyptenaren soms mensenoffers brachten en John Gwyn Griffiths, die al deze bronnen heeft verzameld, komt tot de conclusie dat het mensenoffer in het Egypte van de farao’s weliswaar zeldzaam was, maar niet onbekend, en dat in de perioden daarna, en dan met name in de Romeinse periode, regelmatig mensenoffers werden gebracht. Daar tegenover staat weer de mededeling van Manetho, die in zijn Geschiedenis van Egypte vertelt dat een zekere farao Amosis (vermoedelijk Amasis van de 26e dyn., niet Ahmose van de 18e) het mensenoffer afschafte en het verving door het verbranden van wassen beeldjes.

De Franse Egyptoloog Jean Yoyotte heeft deze traditie vergeleken met de spaarzame Egyptische bronnen. Volgens hem was er in elk geval in de Derde Tussentijd sprake van een periode waarin mensenoffers werden gebracht. De mensen die geofferd werden of de beeldjes die hen representeerden werden beschouwd als volgelingen van Seth, de moordenaar van Osiris, of van Apophis, de oerslang die de vijand van de zonnegod Re is en die de scheppingsorde probeert te vernietigen. Zij werden als brandoffers gebracht aan de dochter van Re, het Zonneoog, dat hem beschermt en zijn vijanden vernietigt. In sommige klassieke bronnen wordt deze godin Hera van Heliopolis genoemd, terwijl Egyptische bronnen hier van de godin Moet spreken (of elders van Sachmet, Hathor, Tefnoet etc.). Er is dus kennelijk een verband tussen mensenoffers en de zonnecultus. Procopius, die in de 6e eeuw van onze jaartelling leefde, zegt dat de Blemmyers en de Noubades, twee zuidelijke volken die in het gebied rond Philae woonden, gewoon waren in de tempel van Philae mensen aan de zon te offeren, totdat de tot het Christendom bekeerde Romeinse keizer Justinianus met de sluiting van de heidense tempels een eind aan deze praktijk maakte.

Het is echter de vraag hoe letterlijk wij al deze beschrijvingen moeten nemen. Het bestraffen van de bozen, d.w.z. van degenen die zich met hun gedrag buiten de scheppingsorde (ma‘at) stellen en daarmee bewijzen thuis te horen in de wereld van de oerchaos die buiten de scheppingsorde heerst, komt in tal van Egyptische religieuze teksten en voorstellingen voor, het meest expliciet in de zgn. Onderwereld-boeken in de koningsgraven van het Nieuwe Rijk zoals het Amduat, het Poortenboek, het Holenboek etc. In deze boeken worden de machten van de chaos permanent gestraft en gedood, waarbij vooral het in stukken snijden en verbranden of het koken in grote ketels van de verdoemden wordt benadrukt. Van deze voorstellingen van de oud-Egyptische hel naar een rituele praktijk van mensenoffers op aarde is echter een hele stap. In een Egyptische wijsheidstekst, de Leer voor Merikare, wordt gezegd dat het doden als straf niet ‘nuttig’, dus contraproductief is. “Straf met stokslagen of met gevangenisstraf, zodat het land in goede orde blijft”, zegt de schrijver, maar hij maakt daarbij wel een duidelijke uitzondering voor “de rebel wiens plan is ontdekt”. Zo iemand moet worden uitgeworpen, en gedood, zijn naam moet worden uitgeroeid en ook zijn medeplichtigen moeten worden vernietigd. In de late (demotische) wijsheidsleer van Anchsjesjonky wordt gezegd dat zij die een coup tegen de farao willen plegen verbrand zullen worden op een altaar bij de poort van het paleis. Voor ernstige misdrijven zoals samenzwering of ook diefstal van tempelgoederen, dus het eigendom van de god, bestond dus in het Oude Egypte de doodstraf, en daarbij is verbranding (al dan niet levend) een van de allerergste mogelijkheden; daarmee wordt immers het lichaam definitief vernietigd en het voortbestaan in het hiernamaals onmogelijk gemaakt.

In Moalla werden in het Middenrijk tijdens een processie-feest van de plaatselijke god Hemen representanten van Apophis, de vijand van de scheppingsorde, geofferd; naast de dierlijke offers die bij die gelegenheid werden gebracht (stier, nijlpaard, vis) werden echter ook criminelen zoals grafschenners gedood. Dit kan men een mensenoffer noemen, want de slachtoffers worden in een rituele setting gedood ten overstaan van een godheid, maar men kan deze gebeurtenis ook als het uitvoeren van de doodstraf beschouwen, een ceremoniële executie, die in de context van een oude cultuur als de Egyptische nu eenmaal een religieus karakter aanneemt. Er is immers geen scheiding van kerk en staat; de wetten van de staat worden bepaald door de ma‘at, de wereldorde die door de scheppergod is gegeven. Maar ook als we dergelijke gevallen als offers aan de god opvatten, dan nog zijn we hiermee nog tamelijk ver verwijderd van een reguliere praktijk van mensenoffers in het kader van de tempelcultus.

Een aantal jaren geleden verscheen een boek van Alan Schulman dat nogal wat stof heeft doen opwaaien. Het heet Ceremonial Execution and Public Rewards en behandelt twee typen voorstellingen, waarbij het ene type verklaard wordt naar analogie van het andere — een tamelijk riskante methode, zoals we zullen zien. De eerste groep is de welbekende voorstelling waarbij een hoge ambtenaar door de koning beloond wordt voor bewezen diensten van uitzonderlijke kwaliteit door hem het ‘goud van eer’ uit te reiken. De ontvanger van deze hoge koninklijke onderscheiding laat deze belangrijke gebeurtenis in zijn leven natuurlijk vereeuwigen in zijn graf of een enkele keer zelfs in de tempel. De tweede groep bestaat uit een aantal meest kleine stèles waarvan de meeste uit Memphis, de koninklijke residentie en bestuurlijke hoofdstad van Egypte, afkomstig zijn. Hierop zien we de eigenaar van de stèle in aanbiddende houding afgebeeld bij een poortgebouw; in de poort is een voorstelling te zien waarop de koning één of meer vijanden vernietigt ten overstaan van een godheid, in dit geval meestal de god Ptah van Memphis. Schulman concludeert nu dat ook hier sprake is van een belangrijke, reële, historische gebeurtenis, nl. de ceremoniële executie van krijgsgevangenen als dankoffer aan de god voor een door de koning behaalde overwinning; de stèle-eigenaar zou hier dan tijdens zijn leven getuige van hebben mogen zijn. Critici hebben er echter terecht op gewezen dat er geen enkel schriftelijk of ander bewijs buiten deze stèles zelf bestaat dat zijn interpretatie ondersteunt. Schulman’s interpretatie berust uitsluitend op de analogie met de beloningsscènes, maar op deze analogie valt wel het een en ander af te dingen. Bij de beloning staat natuurlijk de persoon die de voorstelling heeft laten maken zelf in het centrum van de belangstelling; hij ontleende daaraan groot prestige en dergelijke voorstellingen bevinden zich dan ook voornamelijk in of bij het graf van de persoon in kwestie. De executie-voorstellingen, als we ze zo mogen noemen, komen echter op votiefstèles voor; de afgebeelde persoon laat zijn stèle achter bij een tempel en hoopt daarmee gunsten van de godheid te ontvangen, zoals genezing van ziekte, of het krijgen van kinderen etc., of om de godheid voor dergelijke al ontvangen gunsten te danken. Dit blijkt overduidelijk uit de oren die soms op deze stèles worden afgebeeld en die we goed kennen van andere typen votiefstèles; ze stellen het horende of verhorende oor van de godheid voor.
De voorstelling van de koning die de vijand vernietigt is een oeroud motief in de Egyptische iconografie; de oudste voorbeelden dateren al uit de predynastieke tijd. Bekend zijn vooral de grote scènes op de façade van de pyloon van de tempel. Dit zijn puur symbolische voorstellingen die de goddelijke farao als handhaver en beschermer van de wereldorde, de ma‘at, afbeelden; het in stand houden van de wereldorde is immers waar het in een Egyptische tempel allemaal om draait. Wij weten ook dat het ‘gewone’ volk, i.t.t. de niet-ingewijde priesters, niet in de eigenlijke tempel mocht komen, maar wel tot de goden of de goddelijke koning kon bidden of wijgeschenken kon deponeren in de voorhof van de tempel, vóór de pyloon, waar met name de grote koningskolossen voorwerp van verering waren. De stèles van Schulman moeten dan ook in deze context gezien worden. De afgebeelde persoon wijdt zijn stèle aan de god van de tempel (Ptah) en aan de goddelijke koning die op de pyloon van die tempel staat afgebeeld terwijl hij ten overstaan van Ptah de vijand symbolisch vernietigt. Vergelijkbare scènes komen ook voor op in de rotswand uitgehakte stèles in het grensgebied tussen Egypte en Nubië, bijv. bij Abu Simbel. Hoewel deze stèles van een gedateerde inscriptie zijn voorzien wordt in de tekst met geen woord gerept over het soort historische gebeurtenis dat Schulman erin wil zien. Ook hier gaat het om symbolische voorstellingen die de farao als beschermer van de grenzen van Egypte en bedwinger van de chaosmachten tonen. Met reële mensenoffers hebben deze scènes dus vrijwel zeker niets te maken, laat staan dat ze zelf als bewijs voor het bestaan van mensenoffers kunnen dienen.

Concluderend kan worden gezegd dat concrete aanwijzingen voor een daadwerkelijke cultische praktijk van mensenoffers in Egypte vrijwel ontbreken en dat de weinige gegevens die we hebben eerder op individuele, geritualiseerde executies van criminelen dan op een reguliere offerpraktijk duiden. Veel van de voorstellingen die we hebben zijn toch vooral symbolisch van aard en in de late tempels worden inderdaad, zoals Manetho al vermeldde, wassen beeldjes van vijanden verbrand en geen levende menselijke slachtoffers.

Retainer sacrifice

De enige mogelijke uitzondering op de conclusie die we zojuist getrokken hebben betreft enkele voorstellingen op houten en ivoren labels uit de vroeg-dynastieke tijd. Hierop wordt naar het lijkt het doden van een knielende gebonden persoon afgebeeld, en wel in een rituele setting. De interpretatie van deze scène is bij gebrek aan verklarende bijschriften en aan voldoende paralellen buitengewoon moeilijk. Het lijkt om een koningsritueel te gaan, maar bij welke gelegenheid dit werd uitgevoerd is onduidelijk. Het is niet ondenkbaar dat we hier te maken hebben met een ritueel dat bij de begrafenis van de koning plaats vond. Daarmee zijn we dan aangeland bij het tweede type mensenoffer, nl. het zgn. retainer sacrifice. De oudste aanwijzingen uit Egypte voor het bestaan van retainer sacrifice, het met de koning meebegraven van speciaal voor die gelegenheid gedode dienaren, dateren uit de laatste fasen van de prehistorie, met name de Naqada II (Gerzeen) periode (3500–3200 BC). In deze periode komen een aantal in de voorafgaande tijd ongebruikelijke begrafenisgebruiken voor, waaronder het ontleden van het lichaam, waarvan de delen dan apart (her)begraven worden. In een aantal gevallen is het hoofd losgemaakt van de rest van het lichaam; meerdere schedels en lange beenderen worden dan op een bepaalde manier langs de wanden van het graf gedistribueerd. In Adaima (bij Hierakonpolis) zijn in elk geval twee voorbeelden bekend waarbij het slachtoffer de keel is afgesneden en hij vervolgens is onthoofd, m.a.w. het hoofd is niet pas in een later stadium van de romp van het lijk gescheiden, maar dit is gebeurd voorafgaand aan de bijzetting. Deze voorbeelden worden wel gezien als het begin van de retainer sacrifice gebruiken bij de koninklijke begrafenissen van de 1e Dynastie.

De eerste koninklijke necropool in Egypte bevindt zich in Abydos. Hier werden de koningen van de eerste dynastieën begraven, dus uit de tijd waarin de centrale Egyptische staat werd gevormd. Opvallend is hierbij dat retainer sacrifice voor het eerst voorkomt bij de eerste koning van de 1e dynastie, Aha, en vervolgens bij al zijn opvolgers tijdens de 1e Dynastie. Deze koningen hadden behalve een groot grafgebouw in de woestijn ook een dodentempel, die dichter bij het Nijldal ligt. Rondom beide gebouwen bevinden zich lange rijen van kleine, vierkante of rechthoekige bijgraven met per graf één bijzetting, gewoonlijk in een houten kist.

De vroeg-dynastieke necropool van Abydos werd al in de 19e en begin 20e eeuw opgegraven en daarbij is veel materiaal als irrelevant terzijde geschoven, maar moderne heropgravingen hebben toch nog veel nieuwe inzichten opgeleverd. Bij Aha werden in elk geval 36 jonge mannen meebegraven die allemaal niet ouder dan 25 jaar waren. Deze uniformiteit is een sterke aanwijzing voor een gewelddadige dood van deze individuen. Enkele jaren geleden meldde een Amerikaanse expeditie in Abydos de vondst van zes nieuwe bijgraven bij de dodentempel van Aha. Het gaat hierbij om hofpersoneel van tamelijk hoge rang getuige de meegegeven grafgiften, waaronder voorwerpen van ivoor en lapis luzuli. Uit de constructie van het dak over deze graven blijkt dat ze tegelijk werden aangelegd en dat de bijzettingen dus ook gelijktijdig plaatsvonden. Dit wijst opnieuw duidelijk op retainer sacrifice. Onder de volgende koningen neemt het aantal retainer sacrifices significant toe. Bij het graf van Djer, de tweede opvolger van Aha, bereikte het aantal slachtoffers een hoogtepunt: niet minder dan 338 personen werden rond zijn koningsgraf begraven en rond zijn dodentempel werden er nog eens 242 aangetroffen, een totaal van 580 personen, onder wie zeer veel vrouwen. Veel van deze subsidiaire graven waren gemarkeerd door eenvoudige grafstèles met de naam van de gestorvene. Na Djer neemt het aantal langzaam af. Bij Wadji (Djet) waren er 174 bij het graf plus 161 bij de dodentempel; bij Den (Dewen/Udimu) 136 plus 77; bij Andjib en bij Qa’a, de laatste koning van de Dynastie, zijn alleen de aantallen bij de graven zelf bekend, bij Andjib 64 en bij Qa’a 26. Er is dus een duidelijke dalende lijn te zien. Dat inderdaad van sacrifices gesproken kan worden blijkt o.a. uit het feit dat bij sommige van deze koningsgraven het houten dak over het geheel van koningsgraf en bijgraven is geconstrueerd, wat bewijst dat beide contemporain zijn.
Uit recent onderzoek van de overblijfselen van enkele van de slacht-offers, met name van hun gebit, komt naar voren dat zij waarschijnlijk door wurging om het leven zijn gebracht. Naast mensen komen ook voor de koninklijke begrafenis gedode dieren voor, waaronder honden en ezels. Bij het graf van Aha werden bovendien zeven jonge leeuwen aangetroffen, een opmerkelijk heerserssymbool.

Behalve in de koninklijke necropool van Abydos zijn ook op enkele andere sites uit de tijd van de 1e Dynastie aanwijzingen voor retainer sacrifices aangetroffen, zij het meestal in kleinere aantallen. Naast Naqada in het zuiden gaat het om Tarkhan, Saqqara, Giza en Abu Rowash, in de dodenstad behorende bij de hoofdstad Memphis in het noorden. De preciese aard van deze grafgebouwen is onduidelijk; vermoedelijk gaat het om locale bestuurders die als representant van de koning in het noorden fungeerden, maar vooral in Saqqara is de interpretatie van de vaak buitengewoon monumentale grafgebouwen nog altijd omstreden. Eén van deze gebouwen is geassocieerd met koningin Meryt-Neith uit het begin van de 1e Dynastie, wier graf zich in Abydos bevindt; bij het graf in Saqqara werden 62 subsidiaire graven aangetroffen, waarin net als in Abydos mensen in hurkhouding waren bijgezet in een houten kist. Deze hebben echter alle een eigen bovenbouw, zodat niet zeker is of hier werkelijk van retainer sacrifice sprake is. Anderzijds wijzen de grafgiften hier wel op: ieder individu had een aantal voorwerpen bij zich dat bij zijn beroep hoorde: koperen en vuurstenen gereedschap voor de handwerksman, verfpotten voor de schilder, modelboten voor de schipper, messen en vlees voor de slager, toiletartikelen voor vrouwen etc. Deze beroepscategorieën komen overeen met de latere houten modellen van bakkerijen, slagerijen, bierbrouwerijen, pottenbakkerswerkplaatsen etc. die aan de doden worden meegegeven en met de activiteiten die vaak op de wanden van de Oude-Rijks mastabas worden afgebeeld.

De eerste koningen van de 2e Dynastie lieten zich niet in Abydos maar in Saqqara, in het noorden, begraven; de bovenbouw van hun graven is geheel verdwenen en van subsidiaire graven is niets bekend, maar wanneer later in de dynastie de koningen terugkeren naar de necropool van Abydos is van retainer sacrifices in elk geval geen sprake meer. Er is daarom wel gesuggereerd dat dit gebruik een zuidelijke oorsprong heeft, bv. door Emery, die schrijft: “It would appear that by the time of Ka’a [de laatste koning van de 1e Dynastie] this barbaric mortuary custom had died out in the more cultured North”. Uit deze formulering spreekt een zeker vooroordeel en het feit dat zoals gezegd ook in verschillende plaatsen in het Noorden tijdens de 1e Dynastie aanwijzingen voor retainer sacrifices zijn aangetroffen noopt tot voorzichtigheid. Anderzijds is het opvallend dat vergelijkbare gewoonten goed geattesteerd zijn in verschillende fasen van de Nubische cultuur ten zuiden van Egypte.

In Nubië vormen retainer sacrifices een terugkerende factor vanaf de Klassieke Kerma periode (1750–1500 BC) tot in de 5e en 6e eeuw AD (Ballana en Qustul) of zelfs nog later. In Kerma, even ten zuiden van de Derde Katarakt werden de koningen bijgezet in grote tumulus-graven afgedekt met witte kiezels, en in deze tumuli werden soms aanzienlijke aantallen gedode dienaren aangetroffen; een van de grootste tumuli bevatte bijv. niet minder dan 322 individuen, waaronder veel vrouwen, misschien leden van de koninklijke harem.
Ook allerlei gedomesticeerde dieren werden meebegraven, waaronder honden, ezels en paarden. In Kerma was het meebegraven van ondergeschikten niet uitsluitend aan de koning voorbehouden; ook leden van de hofelite hebben meebegraven dienaren in hun graf, zij het in kleinere aantallen.

Tijdens het Egyptische Nieuwe Rijk (1650–1010 BC) was Nubië een Egyptische provincie bestuurd door een onderkoning; het werd politiek, economisch en cultureel gedomineerd door Egypte, wat o.a. betekende dat aan de gewoonte bedienden te doden om die mee te geven in het graf een einde kwam. Ook in de periode daarna, toen Egypte weliswaar geen controle over Nubië meer uitoefende, maar de Egyptische cultuur en godsdienst nog steeds door de koningen en de elite werden gedragen, is van dergelijke offers geen sprake. Nubische koningen regeerden als de 25e Dynastie zelfs een tijdlang over Egypte en voelden zich in veel opzichten zelfs meer Egyptisch dan de Egyptenaren. Toen in 657 vC door de inval van de Assyrische koning Assurbanipal een einde aan deze Nubische periode kwam trokken de koningen zich terug in hun eigen thuisland; maar pas onder koning Arkamaniqo (ca. 270–260 vC) wordt besloten ook de koninklijke dodenstad, voorheen gelegen bij Gebel Barkal, verder naar het zuiden te verplaatsen, naar Meroe, tussen de Vijfde en de Zesde Katarakt, en het is pas hier dat we een revival van de gewoonte van retainer sacrifice kunnen vaststellen. Opmerkelijk genoeg worden kort daarna de koningen en hun familie ook weer in tumulusgraven bijgezet, en niet langer in de van Egypte overgenomen pyramiden. De opgraver, G.A. Reisner, was van mening dat vrijwel al deze graven dergelijke subsidiaire bijzettingen hadden, maar zijn interpretaties zijn sindsdien enigszins bijgesteld. Niettemin is het zeker dat in elk geval 16 graven (5 koningen, 1 koningin, 1 prins en 8 graven van onduidelijke status) daterend uit de periode van de 1e eeuw vC en daarna retainer sacrifices kenden, met een maximum van 7 individuen per graf. Deze aantallen worden echter verre overtroffen door die van meebegraven paarden, honden en later ook kamelen.

Ook in de post-Meroitische periode (4e–6e eeuw AD) werden de locale koningen soms van grafpersoneel voorzien, hoewel veel vindplaatsen nog niet zijn opgegraven. De meest spectaculaire voorbeelden zijn gevonden in Ballana en Qustul, in Beneden-Nubië, vlak ten zuiden van Abu Simbel. Hier groeven Emery en Kirwan in de jaren ’30 een uitgebreide necropool op met deels zeer grote tumulusgraven. De gemiddelde hoogte van deze tumuli is ongeveer 4,5 m bij en de diameter varieert van 4 tot 12 m, maar de koningsgraven zijn aanzienlijk groter; de grootste heeft een diameter van 77 m en een hoogte van 12 m. Onder deze tumuli bevindt zich een naar beneden aflopende gang die naar een aantal gewelfde vertrekken leidt. Meerdere graven werden onverstoord gevonden, zodat we een goed beeld krijgen van de rijkdom van deze Nubische koningen uit de Byzantijnse tijd. Houten, bronzen en ijzeren meubilair, gereedschap en wapens, bronzen en zilveren vaatwerk, lampen, en sieraden, waaronder zilveren kronen, werden hierin aangetroffen. Meebegraven mensen en dieren werden zowel in de grafkamers als in de toegangscorridor gevonden. In enkele grote graven werd ook de koningin met haar personeel meebegraven. Bij de menselijke slachtoffers gaat het om mannen, vrouwen en kinderen, bij de dieren om paarden, kamelen, ezels en honden. De paarden werden volledig uitgerust, met kostbare met zilver beslagen zadels en tuig, en vervolgens met een bijlslag gedood en meteen begraven, samen met hun menselijke verzorgers. Ook de honden droegen halsbanden en riemen. Tenslotte werd de tumulus over het graf opgericht, die vervolgens met witte kiezels bedekt werd, zoals lang geleden ook in Kerma het geval was geweest.

Recentelijk is de these verdedigd dat het bij de meebegraven mensen om krijgsgevangenen zou gaan, die werden meegegeven in het graf als symbolen van koninklijke macht, zoals de kronen, de wapens en de paarden, maar dat lijkt toch niet erg waarschijnlijk. Deze grafgiften zijn er toch in de eerste plaats om de koning in het hiernamaals tot nut te zijn; zo werd in de koninklijke grafkamer zelf bv. een koe gevonden, samen met vaatwerk voor eten en drinken. Het is bij deze graven in het algemeen juist opvallend dat de dieren die in de grafkamers worden aangetroffen alle eetbaar zijn, terwijl de dieren in de corridor gewoonlijk lastdieren, rijdieren of jachthonden zijn. Deze waren daar niet enkel en alleen begraven als symbolische uitdrukkingen van koninklijke macht, maar klaar voor gebruik en juist daarom vergezeld van hun ook in het hiernamaals onontbeerlijke verzorgers. Dat het hierbij om geëxecuteerde krijgsgevangenen zou gaan lijkt vanuit deze optiek niet erg waarschijnlijk.

Voor de interpretatie van de slachtoffers als krijgsgevangenen wordt vaak gewezen op de talrijke voorstellingen van rijen geboeide krijgsgevangenen en van de koning die groepen vijanden bij de haren grijpt om ze de schedel in de slaan. Maar dit zijn, zoals we gezien hebben, toch vooral stereotype voorstellingen van de koning als handhaver van de wereldorde en bestrijder van de chaosmachten die haar bedreigen. Het zijn in de eerste plaats min of meer abstracte uitdrukkingen van de koningsideologie en geen weergaven van reële, concrete gebeurtenissen. Toch zijn er met name in Nubië wel aanwijzingen dat rituele vernietiging van vijanden (krijgsgevangenen) in of bij de tempels plaatsvond; zo zijn er bij de Zonnetempel in Meroë talrijke potten met verbrande menselijke beenderen gevonden. Hier komen we ook weer terug op de al genoemde tekst van Procopius, die immers vertelt dat op Philae mensen aan de zon werden geofferd door de uit Nubië afkomstige Blemmyers en Noubades.

Ook in het faraonische Egypte is er wel een zeker verband tussen begrafenisriten en mensenoffers. Daarbij moet men in het oog houden dat in de Egyptische offercultus vrijwel ieder levend wezen dat aan de goden geofferd wordt een vijand-symbool kan zijn. Het offer wordt dan geïnterpreteerd als de vernietiging van de vijand van de god ofwel van de wereldorde en draagt daardoor bij aan de handhaving van de ma‘at, de wereldorde. Een opmerkelijk voorbeeld van een (vrijwel zeker puur symbolisch) mensenoffer bij de begrafenisriten uit de 18e dynastie is het wurgen van de Nubiërs dat in het graf van een zekere Montuherkhopsjef (en ook in een naburig, nog ongepubliceerd graf) is afgebeeld. De begrafenisriten uit deze tijd laten een groot aantal elementen zien die ontleend zijn aan zeer oude koninklijke begrafenisrituelen, waarbij men bijv. doet alsof deze riten zich in oeroude religieuze centra als Buto en Saïs afspelen. Het doden door wurging is zeer opmerkelijk in het licht van het recente onderzoek dat uitwees dat ook de dienaren bij de retainer sacrifices in de 1e dynastie op deze wijze werden gedood. Het zou hier dus heel goed om een geherinterpreteerd relict van een oeroud gebruik kunnen gaan. In de scene boven de executie van de “Nubiërs” is het onthoofden (slachten) van rode stieren afgebeeld, godsvijanden bij uitstek. Dat het hierbij om “Nubiërs” gaat is misschien niet toevallig; wisten de Egyptenaren van de 18e dynastie dat in verre streken in het zuiden dit soort gewoonten nog bestonden?

Een rituele doding van een (rode?) stier zoals afgebeeld bij Montuherkhopsjef komt ook bij een ander begrafenisritueel voor, nl. dat van het breken van de rode potten. Het gaat hierbij om een geruststellingsrite die tijdens de begrafenis wordt uitgevoed. Een viertal rode kruiken met water wordt stuk gesmeten op de vloer en tegelijk wordt een stier geslacht. Het ritueel gaat ten minste terug tot het Oude Rijk en wordt in de Pyramideteksten uitdrukkelijk geduid als de vernietiging van de vijanden van de gestorven koning. Het ritueel wordt ook bij andere gelegenheden uitgevoerd, zoals in de tempelcultus en bij funderingsriten, zoals blijkt uit vondsten van beschreven potscherven in verschillende locaties in Egypte en (Beneden-) Nubië. Behalve potscherven komen ook aardewerken beeldjes van geboeide vijanden voor; zowel scherven als beeldjes zijn meestal beschreven met de namen van nauwkeurig geïdentificeerde buitenlandse vorsten of stammen of soms ook met die van binnenlandse rebellen. Bovendien zijn ze beschreven met vloekformules. De meeste van deze vondsten zijn afkomstig uit begraafplaatsen, maar er zijn ook een aantal aangetroffen bij militaire grensfortificaties, met name in Egyptisch Nubië en in de Oostelijke Nijldelta. Bij een van deze forten, bij Mirgissa bij de 2e cataract in Nubië werden behalve potscherven en vijandfiguurtjes ook een grote schaal met een vuurstenen mes en menselijke resten aangetroffen en het is heel goed mogelijk dat dit een aanwijzing is voor een reëel mensenoffer. Het gaat hier in elk geval om een beschermingsritueel, waarbij het terrein voor de aanleg van een necropool of de bouw van een fort moest worden gevrijwaard van de chaosmachten die in de woestijn heersen.

Maar we dwalen af, en keren nu terug naar het fenomeen retainer sacrifice. Dit is in feite een vorm van wat in de anthropologie conspicuous consumption wordt genoemd en daarmee een symbool van koninklijke macht. Bruce Trigger wijst erop dat retainer sacrifice inderdaad net als andere vormen van conspicuous consumption op een grotere schaal voorkomt bij gecentraliseerde territoriale staten dan bij meer decentrale, uit verschillende stedelijke machtscentra samengestelde staten. Aan het hoofd van zulke gecentraliseerde staten staat een koning die kan beschikken over leven en dood van zijn onderdanen en die bovendien geacht wordt een speciale relatie met de godenwereld te hebben. In het vroege Egypte speelt retainer sacrifice vermoedelijk een rol in het proces van het consolideren van de koninklijke macht in een dan pas gecentraliseerde eenheidsstaat. Trigger legt ook een verband tussen retainer sacrifice en de cultische vorm van het mensenoffer: retainer sacrifice heeft zich alleen weten te handhaven in samenlevingen waarin regelmatig mensen aan de goden werden geofferd; verdwijnt het een dan verdwijnt ook het ander. Als dat inderdaad ook voor Egypte geldt is het verdwijnen van retainer sacrifice dus een extra argument tegen het bestaan van cultische mensenoffers in het faraonische Egypte.

De vraag is nu waarom mensenoffers in de vorm van retainer sacrifices op een gegeven moment werden afgeschaft. Dat is een vraag die niet eenvoudig te beantwoorden is. In het geval van de Kerma-cultuur in Nubië heeft waarschijnlijk de Egyptische verovering van Nubië aan het begin van het Nieuwe Rijk ervoor gezorgd dat aan deze praktijk een eind kwam. Nubië wordt in de daarop volgende eeuwen volledig ge-egyptiseerd, en de Nubiërs vereerden al snel de goden van het Egyptische pantheon, met Amon van Thebe als belangrijkste god. De Egyptenaren zelf kenden toen al meer dan een duizend jaar geen retainer sacrifices meer. Dat het uitsterven van deze gewoonte in Nubië inderdaad aan Egyptische invloed te danken is wordt ook aannemelijk gemaakt door het feit dat deze praktijk juist weer in eer hersteld wordt als de Egyptische controle over Nubië verloren is gegaan en ook de ge-egyptiseerde Nubische koningen van het toneel verdwenen zijn. De revival duurt in elk geval tot in de 7e eeuw van onze jaartelling, en nu is het het Christendom dat er een eind aan maakt, in elk geval in het noordelijk deel van Nubië. Verder naar het zuiden, dieper in Sudan, schijnt retainer sacrifice nog eeuwen lang gepraktiseerd te zijn, zoals blijkt uit beschrijvingen in Arabische bronnen zoals Abd-el-Aziz el-Bekri (11e eeuw) en Ibn Batutah (14e eeuw); ook 19e eeuwse koloniale verslagen maken er soms nog melding van.

In Nubië zijn het dus factoren van buiten – eerst de egyptisering, later de kerstening – die een eind gemaakt hebben aan de praktijk van het meebegraven van dienaren. In het vroegdynastieke Egypte zijn dergelijke externe factoren echter niet aan te wijzen. Hier moeten we de reden voor afschaffing dus in de interne dynamiek van een zich ontwikkelende cultuur zoeken. Hierbij moeten we bedenken dat offers behalve een religieuze ook altijd een economische component hebben. Offers kosten degene die offert iets, en dat betekent in de praktijk soms dat naar een vervangend offer wordt gezocht, een substituut. In plaats van een koe wordt dan bijv. een komkommer of een andere vrucht geofferd, waarbij die dan soms in de liturgie nog steeds als een koe wordt benoemd. Hetzelfde zien we in de Egyptische tempelcultus, waar wassen figuurtjes werden verbrand i.p.v. echte mensen; in de rituele teksten wordt dan natuurlijk niet gezegd dat wassen beeldjes worden gedood, maar wordt alleen van mensen, d.w.z. vijanden gesproken. Voor de retainer sacrifices aan het begin van de Egyptische geschiedenis geldt waarschijnlijk hetzelfde. Uit de vondsten blijkt dat het bij de bijgraven rond de koningsgraven niet om simpele dienaren of slaven ging, maar om gespecialiseerde werklieden, zoals handwerkslieden, schilders, pottenbakkers, slagers, bakkers, schippers, enz. In sommige gevallen stonden die blijkens de tamelijk kostbare meegegeven grafgiften in hoog aanzien. Met de vorming van een centrale staat en de bijbehorende elite met zijn toenemende vraag naar luxe goederen en diensten kon men zich dergelijke menselijke offers niet meer veroorloven; daarvoor waren dergelijke geschoolde en ervaren handwerkslieden eenvoudig te kostbaar. Hun dood beroofde bovendien de koninklijke werkplaatsen van hun ervaring, en die had ook de opvolger van de koning weer nodig. Men ging dus omzien naar andere middelen om aan zijn rituele verplichtingen jegens de gestorven koning te voldoen en om, zoals de Engelse anthropoloog Raymond Firth het ooit eens uitdrukte, “God te dienen zonder Mammon uit het oog te verliezen”. Het zijn dus vermoedelijk in eerste instantie economische motieven geweest die gemaakt hebben dat in de loop van de 1e dynastie de aantallen meebegraven dienaren langzaam verminderen en vervolgens dat deze barbaarse gewoonte aan het eind van deze dynastie geheel verdwijnt. In de daarop volgende eeuwen worden de echte dienaren vervangen door voorstellingen op de wanden van graf en dodentempel en door houten modellen. Ethische overwegingen over de onschendbaarheid van het menselijk leven zijn waarschijnlijk pas latere ideologische rechtvaardigingen van het opgeven van retainer sacrifices. De tovenaar Djedi waarmee we vanavond begonnen huldigde duidelijk zo’n ons aansprekende ethische opvatting. Toch moest hij koning Cheops er kennelijk nog altijd op wijzen dat het menselijk leven niet goedkoop was.

© Jacobus van Dijk 2007

Een sterk uitgebreide, van noten voorziene versie van een deel van deze tekst verscheen onder de titel “Retainer Sacrifice in Egypt and Nubia”, in: Jan N. Bremmer (ed.), The Strange World of Human Sacrifice. Studies in the History and Anthropology of Religion, 1 (Leuven, Peeters, 2007), 135–155. In dit boek staat ook een bijdrage van H. te Velde getiteld “Human Sacrifice in Egypt” (pp. 127–134).

Nota Philip: ik kreeg toestemming van Dr. van Dijk dit artikel op het Pr Kmt forum te plaatsen naar aanleiding van mijn interview met hem op 08/02/09:
viewtopic.php?t=1726&mforum=prkmthetegyptef
Gebruikers-avatar
Philip Arrhidaeus
Site Admin
 
Berichten: 6231
Geregistreerd: Do Mrt 23, 2006 3:16 pm
Woonplaats: Vlaanderen

Berichtdoor Taa Seqenenre » Za Feb 21, 2009 12:08 pm

Retainer sacrifice

De enige mogelijke uitzondering op de conclusie die we zojuist getrokken hebben betreft enkele voorstellingen op houten en ivoren labels uit de vroeg-dynastieke tijd. Hierop wordt naar het lijkt het doden van een knielende gebonden persoon afgebeeld, en wel in een rituele setting. De interpretatie van deze scène is bij gebrek aan verklarende bijschriften en aan voldoende paralellen buitengewoon moeilijk.


Over welke labels gaat het? Van farao's?
Gebruikers-avatar
Taa Seqenenre
 
Berichten: 174
Geregistreerd: Ma Apr 10, 2006 4:55 pm

Berichtdoor Philip Arrhidaeus » Za Feb 21, 2009 9:02 pm

Taa Seqenenre schreef:
Quote: Retainer sacrifice
De enige mogelijke uitzondering op de conclusie die we zojuist getrokken hebben betreft enkele voorstellingen op houten en ivoren labels uit de vroeg-dynastieke tijd. Hierop wordt naar het lijkt het doden van een knielende gebonden persoon afgebeeld, en wel in een rituele setting. De interpretatie van deze scène is bij gebrek aan verklarende bijschriften en aan voldoende parallellen buitengewoon moeilijk.

Over welke labels gaat het? Van farao's?


Een label van Aha (1ste dyn.)uit Abydos
http://xoomer.virgilio.it/francescoraf/ ... xxaha2.htm

En inderdaad het label van Djer (1ste dyn.) waar Anneke hier elders reeds naar verwees (i.v.m. een pelikaan), uit Saqqara:
http://xoomer.virgilio.it/francescoraf/ ... xdjer2.htm

Twee (zittende?) mensen tegenover elkaar, de rechtse geboeid, handen op de rug. De persoon links steekt de rechtse mens met een mes, terwijl een kom tussen beide staat om het bloed op te vangen.

Op het label van Aha kijkt een persoon met een staf (?) toe.
Rechts zie je een standaard met een valk bovenop en een imioet- (of Anoebis-) fetisj.

Op het label van Djer zie je personen die funeraire of cultische voorwerpen dragen.
Gebruikers-avatar
Philip Arrhidaeus
Site Admin
 
Berichten: 6231
Geregistreerd: Do Mrt 23, 2006 3:16 pm
Woonplaats: Vlaanderen

Re: Het Mensenoffer in Egypte en Nubië © Jacobus van Dijk 20

Berichtdoor Philip Arrhidaeus » Vr Okt 24, 2014 7:44 pm

De scène waarover Dr. Jaap van Dijk het hierboven had in TT 20 van Mentuherkhepshef...
Een opmerkelijk voorbeeld van een (vrijwel zeker puur symbolisch) mensenoffer bij de begrafenisriten uit de 18e dynastie is het wurgen van de Nubiërs dat in het graf van een zekere Montuherkhopsjef...


Zie hiervoor Norman de Garis Davies, Five Theban Tombs, 1913, plate VIII (en beschrijving p.15).
76/133 in de pdf hier af te halen:
https://jscholarship.library.jhu.edu/ha ... 74.2/34873

Afbeelding
Gebruikers-avatar
Philip Arrhidaeus
Site Admin
 
Berichten: 6231
Geregistreerd: Do Mrt 23, 2006 3:16 pm
Woonplaats: Vlaanderen


Terug naar Algemene onderwerpen

Wie is er online?

Gebruikers in dit forum: Geen geregistreerde gebruikers en 0 gasten

cron